Ontwikkelingen

 

  

Omhoog

 

 

Weer naar een hogere versnelling

 

Tussen Drupa & Grafivak, daar zou het over gaan. Maar het belangrijkste eerst: de grafische markt. Hoe goed gaat het met de Nederlandse prepressers, drukkers en binders? Of beter gezegd: hoe slecht? Grafische bedrijven vallen sneller om, dan de bladeren van de bomen dwarrelen.  Hoe moet dat nu net over de drempel van de eeuw? En waar staan we over vijf jaar?

 

Volgens Herman Holtes is één van de grootste problemen waar grafische ondernemers  - vijf jaar geleden en nu -  mee geconfronteerd worden de snelle technologische ontwikkelingen. Bovendien lukt het ondanks de economie die op volle toeren draait het de grafici maar niet om een goede prijs voor hun drukwerk te bedingen.

 

Holtes: ‘De marges zijn voor alle spelers in onze bedrijfskolom flinterdun. Iedereen kan in principe omvallen. Klanten van drukkers willen steeds minder betalen voor de almaar groeiende grafische kwaliteit. De binders staan onder druk. De drukkers verdienen te weinig.’

 

Volgens Nico Veenendaal ligt de oorzaak ook bij grafici zelf. ‘Drukkers nemen werk aan, zelfs als de toegevoegde waarde negatief is. Zoiets hou je niet lang vol. Je moet ook eens een keer nee tegen een klant durven zeggen. Of uitleggen waarom hij een order beter bij een collega-bedrijf kan draaien. Dat is geen teken van naïviteit, maar van goed ondernemerschap. Je moet je eigen zwakke en sterke punten kennen. Niet alle klanten zijn geschikt voor ons.

 

Daar komt bij dat de grafische productie complex is. Je moet je oog goed op je interne organisatie houden. Daar kan in de kostensfeer veel geld weglopen. Je moet de juiste mensen met de juiste kennis op de juiste plaats hebben. ‘

 

Henk Gianotten haakt virtueel in. ‘Bij enkele recente bedrijfssluitingen bleek dat de afdelingen ‘verkoop’ en ‘techniek’ de nieuwste ontwikkelingen nauwelijks konden volgen en daarom in een groot aantal gevallen deels analoge productiemethoden moesten inzetten. Daarbij werden de prijzen gedicteerd door opdrachtgevers die digitaal aanleverden voor wezenlijk andere productiemethoden. Als een bedrijf dan niet in staat is snel naar de benodigde productiemethoden om te schakelen of niet in staat is de orders te verwerken is men hopeloos verloren. Verkoop, orderbehandelaar en techniek moeten als team opereren. Dat vraagt veel van de verkoop. De investeringen liggen dus aanzienlijk hoger dan die welke men moet doen om de productiemiddelen te kunnen introduceren, beheren en onderhouden. De kennis moet in de hele organisatie zitten en de rol van de innoverende en zichzelf voortdurend aanpassende ondernemer wordt wezenlijk anders.’

 

Nico Veenendaal: ‘Je transactiekosten binnen je onderneming moeten sowieso omlaag, vooral omdat je dan veel meer kleinere bedrijven kunt bedienen. Ik heb liever honderd kleinere klanten, dan twee of drie hele grote, met alle risico’s van dien. Ook technisch is er veel veranderd. Je bent niet alleen meer het portaal voor het drukwerk. Ook zul je je bijvoorbeeld met printen moeten kunnen onderscheiden. Printen is voor drukkers jarenlang een vies woord geweest. Bij ons is die tijd voorgoed voorbij.’

 

Gianotten: ‘De markt voor printen-op-afroep moet voor een groot deel nog ontwikkeld worden en dat verklaart waarschijnlijk waarom alle optimistische prognoses voortdurend naar beneden moeten worden bijgesteld. Voor corporate printwerk van grote documenten in kleine oplagen is deze techniek veel sneller attractief in te zetten. Actueel, up to date en voorzien van de voor de ontvanger relevante gegevens. De omvang is meestal groot zodat de prijs per product relatief hoog is en de voor de personalisering gerelateerde gegevens zijn meestal gestructureerd aanwezig zodat de aan de data gerelateerde kosten relatief laag zijn. In die gevallen is gepersonaliseerd printen aantrekkelijk en beslist geen, zoals vijf jaar geleden gesteld werd, ‘onderkant van de markt product’.’

 

Daniël Kuijk voelt zich meer informatietechnicus dan graficus. ‘De grafische bedrijfstak moet zich realiseren dat het niet alleen onderdeel is van de grafimedia industrie. Het gaat veel verder. Grafici spelen op het veld van de communicatie-industrie en daar spelen ze slechts een bescheiden rol. Vroeger gingen bedrijven voor hun communicatie-uitingen bijna altijd naar een drukker. Dat is niet meer zo. Er zijn in snel tempo andere vormen van communicatie opgekomen. De afgelopen vijf jaar Internet bijvoorbeeld, of het printen-op-afroep. Die slag is door veel drukkers gemist. Als drukker moet je zorgen dat je samenwerkt. Niet op de eerste plaats met andere drukkers, maar met andere spelers in de communicatiekolom: een reclamebureau of een IT-bedrijf. Dan kun je ook andere, en meestal hogere, tarieven hanteren. Wat vaak ontbreekt is een strategie, een visie op de markt. Voordat een drukker met iemand anders gaat samenwerken, moet er heel veel gebeuren. Je moet snel zijn wil je succes hebben. Je moet de juiste partners hebben en de juiste leveranciers. Kijk eens naar het tempo van de veranderingen. Over vijf jaar domineert niet Heidelberg de markt, maar Hewlett-Packard.’

 

Holtes: ‘Orders komen niet automatisch meer terecht bij grafische bedrijven. Opdrachtgevers gaan tegenwoordig eerder naar degene die zij als logisch eerste aanspreekpunt zien. Soms is dat de drukker, dan de binder en dan weer het reclamebureau.

 

Gianotten: ‘Als je achteraf terugkijkt kun  je constateren dat er een substantieel aantal bedrijven overgenomen is door groepen en/of door collega-bedrijven. Dat was bijvoorbeeld voor prepressbedrijven nodig omdat ze voor een groot deel activiteiten uitvoerden voor drukkers.

 

Daarnaast zijn er veel drukkers overgegaan op een digitale werkstroom waarbij prepressactiviteiten in eigen huis werden uitgevoerd. Ook middelgrote en kleine drukkers die de overgang van analoog naar digitaal niet tijdig gerealiseerd hebben worden geconfronteerd met teruglopende marges omdat zij de directe contacten met de digitale toeleveranciers dreigen te verliezen. Andere partijen nemen dan een steeds belangrijkere rol in het contact met de opdrachtgever. Daar dreigen sommige bedrijven de boot te missen omdat ze onvoldoende kennis en ervaring hebben om de opdrachtgevers goed te kunnen begeleiden.’

 

Herman Holtes ziet ook veranderingen ten goede. Er zijn allerlei samenwerkingsverbanden van de grond gekomen, er zijn grafische bedrijven die meer doen dan drukken alleen. Drukwerk is niet alleen volgens Holtes, maar ook voor de andere deelnemers aan de discussie, een middel tot communiceren en voor de klant geen doel op zich. Holtes: ‘Met grafisch vakmanschap alleen red je het niet meer, maar grafische ondernemers durven als geen ander te investeren in nieuwe techniek. Dat is positief.’

 

Gianotten: ‘De stelling van vijf jaar geleden dat kleinere drukkerijen niet meer zouden kunnen investeren is niet valide gebleken. Diverse kleinere drukkers met een regionale functie hebben aanzienlijke investeringen kunnen doen en zijn in staat de snelheid te leveren waardoor ze voor hun opdrachtgevers aantrekkelijke partners zijn. Ze hebben de vinger aan de pols, zijn voortdurend alert bezig en groeien door de mogelijkheden die digitale productiemethoden bieden. Biedt men deze faciliteiten niet dan is de regionale functie snel uitgespeeld en zal men de verkoopinspanningen moeten opvoeren om toch de benodigde omzet te realiseren. En dat terwijl de opdrachtgevers en de marketing- of reclamebureaus wel die ontwikkeling naar een digitale productie en flexibelere werkwijze verwachten. Dat is dus een heilloze weg en daar vallen dan dus ook veel slachtoffers.’

 

Veenendaal ziet voor drukkerijen een belangrijke verandering in het verschiet. ‘Je moet all round zijn. Wanneer je voor een grotere klant werkt, moet je al zijn communicatiewerk kunnen doen. Je specialiseert je dus niet meer in een techniek: je wilt drukken en printen. Je specialiseert je zeker niet  in een product. Wij proberen ons te specialiseren in bepaalde markten. De gezondheidszorg, de gemeente, iedereen kan daar een eigen keuze in maken. Je leert zo’n markt door en door kennen en daardoor je dienstverlening uitbreiden. Het drukken van een mailing is aardig, maar ik wil dan ook het call center inschakelen voor de follow up van de actie. Ik wil niet stoppen bij het drukken.’

 

Printen-op-afroep is relatief nieuw. Vijf jaar geleden concentreerde  de discussie zich op het automatiseren van de werkstroom. Vooral CTP stond in het brandpunt van de belangstelling. Daniël Kuijk, PDF-aanhanger van het eerste uur en ook verantwoordelijk voor de verkoop van de Galileo CTP-systemen van Agfa: ‘Vergeleken met vijf jaar geleden zijn veel problemen opgelost. De opslag van data kost bijvoorbeeld bijna niets meer. PDF kan voor een vloeiende werkstroom zorgen en dat zorgt weer voor het verlagen van de productiekosten. Maar drukkers kijken niet genoeg naar hun markt, maar naar de techniek.’

 

Holtes: ‘Dat is echt achterhaald. Geen enkele drukker investeert zonder goed te calculeren. Economisch zijn de investeringen goed onderbouwd.’ Volgens Nico Veenendaal is dat ook zo, alleen begrijpt hij niets van de servicecontracten van de leveranciers. ‘Vooral leveranciers zijn teveel gericht op de techniek: op de verkoop van die ene machine. Als wij een CTP-systeem neerzetten, willen we die investeringen eruit hebben en het liefst snel. Dat betekent volop draaien, zonder stilstand. Als we stilstand hebben gaan we twee keer nat. We halen onze deadlines niet en moeten de leverancier extra betalen voor de service. Dat kan toch niet. Je moet als leverancier meedenken. Alles in één prijs, maar met garanties voor de up-time van de apparatuur. Hou er maar rekening mee dat een machine een bepaalde tijd stilstaat, dat hoor ik graag. Het gaat om de hele serviceketen. We gaan de bietenbrug op met investeren in vlekkeloze techniek, die niet rendeert doordat de zaken eromheen fout gaan. Het gaat om veel meer dan de machine, alles eromheen telt mee.’

 

Herman Holtes reageert: ‘Wij grafici zijn van oudsher gericht op techniek. We werken weliswaar met metaal, maar dat verandert. Vroeger was het alleen techniek, nu werken we ook ondersteunend, waarbij dienstverlening voorop staat. We zijn juist zeer actief in service activiteiten. We ondersteunen bij werkstroomoplossingen van voor tot achter in het proces. We proberen de juiste managementinformatie automatisch te genereren. We hameren op het belang van een goed en geautomatiseerd planningsysteem.’

 

Henk Gianotten: ‘Of je CTP moet gebruiken is afhankelijk van de klanten en daarnaast van de aanwezigheid van de digitale infrastructuur, de aanwezigheid van de benodigde digitale kleurenproefsystemen en de soort persen waarmee je produceert. CTP is duurder dan computer-naar-film, maar als de producten die men maakt relatief duur zijn is CTP eerder rendabel in te zetten. Dus zijn de uurprijzen van de pers, het aantal malen dat men moet inrichten en de kosten van het te bedrukken materiaal doorslaggevend. Het zijn niet de prepressers die moeten beslissen of CTP in hun afdeling interessant is maar het zijn de drukkers, samen met de verkopers van het drukwerk, die een dergelijke bedrijfsbeslissing in hoofdzaak moeten onderbouwen.

 

De komende jaren wordt de snelheid van leveren een steeds belangrijker argument. De effecten van Internet nemen toe. Deze snelle methode om potentiële klanten te bereiken heeft tot gevolg dat de perceptie bij de ontvanger zich ook wijzigt. Dus dat vraagt snel reageren en dus snel leveren van producten waarbij de inhoud wel maar de omvang niet of nauwelijks bekend is. Dat houdt in kortere levertijden, een nog grilligere bezetting en dus een workflow waarbij de verschillende productiemachines gemakkelijk gewisseld kunnen worden. Elektronische opmaak van complete vormen die tot op het laatste moment gewijzigd moeten kunnen worden. Een betere beheersing van de flightcheck programma’s is daarbij noodzaak, waarbij de drukker de voor hem optimale instellingen om complete pagina’s aan te leveren elektronisch aan de opdrachtgever of het voor hen werkende servicebedrijf kan sturen. Drukkers zullen tegelijkertijd geconfronteerd worden met kleinere oplagen waardoor vooral hoge eisen gesteld worden aan het inrichten en wisselen van kleuren.’

 

Vijf jaar geleden gold Internet als de grootste bedreiging voor de grafische bedrijfstak. Als Internet straks op de kabel komt, dan kan het nog interessant worden voor de bureaus, reisgidsen, winkelen, de mogelijkheden zijn onbeperkt, luidde het oordeel in 1995. Henk Gianotten: ‘Nou, daar was de kabel dus beslist niet voor nodig. De faciliteiten van Internet zijn de afgelopen jaren zo sterk toegenomen dat zelfs zonder het gebruik van kabel er met gewone telefonie, ISDN en nu dus ADSL ongekende mogelijkheden geboden wordt om informatie op te halen en om te communiceren met vrijwel al je zakelijke partners.

 

Drukkers hoeven wat betreft de invloed van Internet op de totale drukwerkconsumptie zich nauwelijks zorgen te maken. De grootste invloed is op het gebied van Facility Management bij de productie van druk- en printwerk voor grote organisaties en bedrijven te verwachten. Ook elektronische systemen om het drukwerk al door de opdrachtgever van elektronische jobticketinformatie te voorzien en deze dan als onderdeel van de voortdurende communicatie tussen opdrachtgever, reclamebureau, prepressstudio, drukkerij en afwerkbedrijf te gebruiken lijken ingang te vinden.

 

De standaards als CIP4, JDF en XML komen langzaam ter beschikking en op dit moment lijken er te veel aanbieders van dergelijke systemen te zijn. Veelal zijn ze destijds opgezet om een beperkt deel van de productie te kunnen ondersteunen maar een integrale productie vergt ook integrale digitale oplossingen en die zijn voor de gehele grafische industrie veelal te breed. Zo zijn systemen voor het plannen van opnamen, boeken van fotografen, ontwikkelen en afwerken van foto’s en voorbereiden voor het scannen bruikbaar voor fotografen en sommige reclamestudio’s. Ze zijn veelal onvoldoende toegerust op het gebruik door uitgevers en drukkers. Dat maakt dat de verschillende aanbieders moeten samenwerken met verschillende partijen en tegelijkertijd moeten onderhandelen met afnemers die graag zo willen werken om kostenvoordelen te behalen (meestal drukwerkopdrachtgevers) en afnemers die wel willen maar het geboden product (nog) slechts voor een beperkt deel van de orders of soms zelfs slechts voor een beperkt deel van hun productieproces kunnen inzetten.

 

Dat probleem wordt nog bemoeilijkt door de verscheidenheid van businessmodellen waarmee men opereert. Het onlangs door het GEA uitgevoerde onderzoek naar de invloed van Internet spreekt van ‘Een partnershipconcept waarbij een nauwe samenwerking tussen de partijen noodzakelijk is en er gebruik gemaakt wordt van op maat gesneden proceskoppelingen op basis van internetprotocollen’.

 

Daar waar organisaties Internet gebruiken om one-to-one marketing te realiseren mag verwacht worden dat men Internet ook zal inzetten om de communicatie met de toeleverancier van marketingproducten te verbeteren. Dat drukkers en prepressbedrijven daar beter een voortouw in kunnen nemen dan afwachten lijkt me duidelijk.’’

 

Herman Holtes: ‘De belangrijkste technische thema’s die de bedrijfstak de komende vijf jaar zullen domineren zijn nog altijd de verregaande automatisering van de werkstroom.’  Andere thema’s, zegt Daniël Kuijk, zijn image capturing, transmissie protocollen en - ook al een oude bekende – digital proofing. ‘Daarbij gaat het vooral om remote proofen, het proofen op afstand, waarbij de hele wereld het werkterrein wordt.’ Nico Veenendaal voegt een nieuw thema toe dat de komende jaren aan belang gaat winnen: de wet- en regelgeving. Veenendaal: ‘Daar moet je mee bezig zijn. Je moet weten wanneer er in Europa wetten worden voorbereid die bijvoorbeeld het gebruik van oplosmiddelen reduceren. Als je dat uit de krant moet lezen dan ben je echt veel te laat.’

  

Leon van Velzen

 

[Publicatie: Graficus, december 2000]

 

 

Tussen Drupa & Grafivak: een tussenbalans

 

‘Tussen Drupa & Grafivak vijf jaar later’, is het thema dat door een select groepje deskundigen onder de loep werd genomen. In de winter van 1995 maakte Graficus Magazine een soortgelijk themanummer. In het voorwoord van dat nummer was te lezen waar het allemaal om draaide. De redactie koos twee markante ijkpunten: Drupa 1995 en Grafivak 1996. Het doel van de discussie was deze keer zo scherp mogelijk terug te kijken op de voorspellingen en de verwachtingen van afgelopen vijf jaar. Het tweede (langere) deel van de discussie richtte zich op de toekomst. En net als in de werkelijkheid liepen verleden, heden en toekomst naadloos in elkaar over.

 

 

De deelnemers

 

Op 4 december kwamen Herman Holtes (divisiemanager Afwerken bij Wifac te Mijdrecht), Daniël Kuijk (algemeen directeur i-control in Beverwijk) en Nico Veenendaal (directeur Koninklijke drukkerij G.J. Thieme te Nijmegen) in het Bussemse Jan Tabak bij elkaar. Henk Gianotten, tot medio dit jaar actief bij Tetterode, nu senior consultant bij de Giarte Media Group was ‘virtueel’ aanwezig. Zijn schriftelijke bijdrage aan de discussie is in dit artikel opgenomen. Namens Graficus namen Robert Hertogs en het hoofdredactionele team Ed Boogaard (adjunct-hoofdredacteur) en Gerard Molenaar (tijdelijk interim hoofdredacteur) deel aan het debat.

 

 

Standaards zijn nodig, maar wie begint?

 

Voor wie is er in de grafische bedrijfstak een rol weggelegd bij standaards? Herman Holtes en Daniël Kuijk staan daarbij lijnrecht tegenover elkaar. Herman Holtes benadrukt dat elk onderdeel van het grafisch productieproces zijn eigen standaarden kent. Het maken van een tijdschrift, waarbij de inktbankinstellingen, compleet met vouw- en snijtekens in de prepress worden aangegeven is een grafische activiteit. Volgens Holtes is het propageren van deze standaards typisch een taak voor de leveranciers en de handelshuizen. Zij beschikken over de technische kennis en hebben een brede visie op de markt.

 

Kuijk vindt dat het KVGO het voortouw dient te nemen bij de discussie rond de standaarden. Kuijk: ‘Leveranciers draaien hun eigen Sterspot af. Daar heb ik overigens geen enkel bezwaar tegen, maar objectief is die voorlichting bijna nooit. Er zit altijd een eigen commercieel belang achter.’ Herman Holtes: ‘Handelshuizen zijn steeds meer systeemintegrators. Niet alleen de drukkers, maar ook wij moeten alle zeilen bijzetten. We vertellen onze drukkers hoe ze moeten overstappen naar alcoholvrij drukken. CIP4 is bij ons een belangrijk thema. Wij beschikken over de technische kennis en de contacten die nodig zijn om die kennis bij de grafische bedrijfstak te brengen.’

Henk Gianotten: ‘‘Standaards dienen door de producenten en de internationale researchinstituten als GATF en Fogra vastgesteld te worden. Nationale organisaties dienen de belangen van hun leden te vertegenwoordigen en leveranciers dienen als communicatiekanaal tussen klanten en producenten te fungeren. Handelshuizen informeren en de belangrijke internationaal opererende distributeurs hebben relatief grote invloed op de toepassing omdat zij het zijn die systemen aanbieden en keuzes maken wanneer wat geïntroduceerd zal worden. Nationale organisaties en nationale distributeurs hebben nauwelijks invloed op het vaststellen van standaards. Dat gebeurt bij de producenten als Adobe, Agfa en Heidelberg en de GATF, Fogra en IFRA bepalen of dat later bijvoorbeeld als ISO-norm ingang vindt.

 

De nieuwe norm voor drukken (ISO-12647 ook wel Isocolor genoemd) is er al enige jaren, ze zal pas ingang vinden als de producenten van hun klanten helpen de overschakeling te maken. En voor de kranten- en tijdschriftentoepassing geldt dat zoiets pas echt gebeurt als de drukwerkopdrachtgevers dat eisen en bovendien zouden weten hoe zoiets toe te passen. Geen enkele leverancier gaat met veel enthousiasme een dergelijke weg in want hij weet dat zoiets veel inspanningen kost die nauwelijks betaald worden. Drukkers en prepressers moeten de standaards echter afdwingen want alleen dan kunnen ze op termijn sneller en voorspelbaar produceren. En daar heeft de producent en dus het handelshuis ook op termijn grote voordelen aan. We zitten dus allemaal in hetzelfde schuitje: het kost tijd en geld maar het is broodnodig. Standaardisatie is lange termijn denken en doen.’

 

 

Drupa of Grafivak

 

Van een antibeurssentiment tegen Drupa of Grafivak is geen sprake. Wel vindt Herman Holtes Grafivak ‘bespottelijk duur wanneer je kijkt wat je per bezoeker moet uitgeven’. Grafivak is volgens Daniël Kuijk vooral een lieve beurs, waar je collega’s tegenkomt en kunt bekijken in hoeverre de technische proefballonnen die tijdens Drupa zijn opgelaten werkelijkheid worden. ‘Een Grafivak na Drupa is dan ook altijd interessant.’Ook Nico Veenendaal vindt een gang naar beide evenementen de moeite waard. ‘Op de laatste Drupa zag ik de DicoWeb in actie. Die kant gaat het dus op. Drupa is een technologie show, dat is belangrijk om te zien.’

 

 

Drukken in 2010 volgens Henk Gianotten

 

Over tien jaar wordt de bulk van het drukwerk nog steeds op conventionele offsetpersen gedraaid. Inkt is nog steeds het goedkoopste medium. Dat offset ook in 2000 nog steeds goed is voor ruim tweederde van de omzet zal niemand verbazen. Offset en diepdruk zijn goed voor 85 procent van de productie. In 2005 zal dat volgens onderzoekbureau Pira haar rapport ‘The future of print’ relatief iets afnemen. De offsettechniek gaat dan drie procent omlaag, maar omdat de omzet de komende jaren bijna met een derde toeneemt is de absolute toename groot.

 

Diepdruk zakt relatief ook iets maar de absolute groei zet door. Vergeet niet, we praten in ons land over het in vellen en rotatie bedrukken van 1.8 miljoen ton papier per jaar.

Elektronisch drukken met direct imaging technieken en toner neemt procentueel natuurlijk flink toe. Qua omzet zijn dat natuurlijk aantrekkelijke cijfers vooral ook omdat de kosten van meerkleurenprints aanzienlijk zijn.

 

Offsettechniek zal nog steeds  in staat zijn uiterst snel relatief goedkoop drukwerk te vervaardigen. Dat daarbij de digitalisering en CTP de doorlooptijden moet bekorten waardoor de benodigde snelheid van leveren bereikt wordt is dan wel noodzakelijk.

 

 

Vragen of opmerkingen naar: redactie§magazijn.nl
© 1998 - 2010 |  Uitgeverij Het Nederlands Magazijn bv
Laatst bijgewerkt:
22 juni 2010
Al het gepubliceerde werk op deze website valt onder de spelregels van creative commons.