Geschiedenis

 

  

Omhoog

 

Honderd jaar grafische geschiedenis fraai, maar dun

 

In december verscheen Honderd jaar geleide innovatie, de Nederlandse grafische industrie in de twintigste eeuw. De verwachtingen waren hooggespannen. Leidt de uitgave tot nieuwe inzichten in de jongste grafische techniekgeschiedenis?

 

Wat doet een honderdjarige die zijn eeuwfeest viert en het grafisch product als wezen van het bestaan beschouwt? Met die vraag worstelde het KVGO toen het plannen voor het eeuwfeest in de steigers zette. Wat het in ieder geval niet moest worden was snel vastgesteld: géén herdenkingsboek met daarin een opsomming van een lange rij bestuurders, hun notulen en soms sombere portretten.

 

De Grafische Cultuurstichting, formeel onafhankelijk van het KVGO, wilde het traditionele Kerstnummer evenmin ‘opofferen’ aan een dergelijke uitgave en koos in 2001 het toepasselijke thema ’Communicatie’. Achter in dit kloeke boek is een kroniek opgenomen die volgens de samenstellers zorgt voor ‘een aardige indruk van het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen’.

 

Daarmee was het probleem niet opgelost en na lange discussiëren  besloot de Cultuurstichting een groep technisch-historici rond prof. dr. ir. Harry Lintsen van de TU Eindhoven te vragen de Nederlandse grafische industrie in de twintigste eeuw te boek te stellen. In beginsel was dat een goede keuze. Lintsen en zijn collega-onderzoekers op de Technische Universiteiten van Eindhoven en Delft begonnen ruim vijftien jaar geleden met een project dat zijn weerga in de Nederlandse techniekgeschiedenis niet kende. Dit project mondde uit in een zesdelig standaardwerk Techniek in Nederland in de negentiende eeuw dat indruk maakte door technische ontwikkelingen in een veel breder maatschappelijk kader te plaatsten dan tot dan toe gebruikelijk was. 

 

Een van de hoofdstukken besloeg de Grafische Techniek in de negentiende eeuw. Dit hoofdstuk rolde in 1993 als zelfstandig boek van de pers. De twee auteurs van deze uitgave kweten zich voorbeeldig van hun taak. Ze haalden massa’s informatie boven water, zochten ter zake doende statistiek ter onderbouwing van hun betoog, illustratieve anekdotes om het geheel te verlevendigen en bewerkten het materiaal tot heldere verhalen. 

 

Het is spijtig, maar de recent verschenen uitgave Honderd jaar geleide innovatie, de Nederlandse grafische industrie in de twintigste eeuw haalt dit  hoge niveau niet. De oorzaak is – vermoed ik – velerlei. De afstand tot de voor-vorige eeuw is groter zodat het patina van de tijd de neiging heeft tot romantiseren. Bovendien maakt de grotere afstand tot het verleden het makkelijker hoofd- van bijzaken te onderscheiden.

 

Bij de jongste uitgave is het ontbreken van een duidelijke structuur in ieder geval opvallender dan bij de voorganger. De keuze van een chronologische volgorde ligt voor de hand, maar biedt de auteur voor het verklaren van onderliggende tendensen en uiteenlopende technieken onvoldoende ruimte. De hoofdstukindeling van Honderd jaar geleide innovatie: ‘Leescultuur’, ‘Techniek in de eerste helft van de twintigste eeuw’, ‘Het grafisch systeem’, ‘Stencilen en kopiëren’, ‘Bezettingsjaren’, ‘Naoorlogse periode’, ‘Digitale revolutie’ en tot slot het afsluitende hoofdstuk ‘Betekenis van de innovatiegolven’ – toont dat de auteur, dr. E. Nijhof, geworsteld heeft met zijn speurtocht naar een onderliggende structuur. 

 

De indruk bestaat dat er voor de eerstgenoemde uitgave meer tijd en energie is vrijgemaakt. Daar waar Grafische Techniek in de negentiende eeuw met zijn tweekoloms opmaak en grote variëteit aan illustratiemateriaal tekst en beeld in de pas laat lopen en tot een eenheid smeedt is dat concept bij Honderd jaar geleide innovatie volledig losgelaten.

 

Tekst en beeld behoren elkaar op zijn minst te ondersteunen. Dat is bij De Nederlandse grafische industrie in de twintigste eeuw geenszins het geval. Zo ontstaan twee boeken: één waarin gepoogd wordt met brede penseelstreken de technische, sociale en culturele geschiedenis in de afgelopen eeuw te schilderen en één waar in willekeurige volgorde afbeeldingen met een hoge nostalgische waarde de overhand hebben. Het krappe hoofdstuk over de bezettingsjaren bijvoorbeeld wordt geïllustreerd met foto’s die midden in de jaren zestig zijn gemaakt. Nadat het boek is aangeland bij de digitalisering vindt de lezer een spread met de messenvouwmachine bij J. van Boekhoven uit de jaren twintig.

 

Nijhof heeft zijn uiterste best gedaan technische vernieuwingen bij de drukvormvoorbereiding, het drukken en afwerken zo precies mogelijk te beschrijven. Dit leidt tot werktuigbouwkundig correcte beschrijvingen van bijvoorbeeld de werking van een Linotype, maar voegt weinig tot niets toe aan de kennis die al over het gebruik van deze machines in Nederland bestaat.

 

De vraag is of je dat de auteur kwalijk moet nemen. Innovatie – wat is er trouwens mis met het prima Nederlandse woord ‘vernieuwing’ – kwam nu eenmaal niet uit ons land, maar uit Duitsland en de Verenigde Staten, waar de sterkste machinebouwers gehuisvest waren. Verzuimd wordt overigens de belangrijke rol van Israëlische en Belgische bedrijven te noemen die op het gebied van prepress en printen in kleur baanbrekend werk verrichtten. De enige leverancier die in Nederland  - om het maar in technisch-industriële termen te houden  - zelfscheppend werkte en werkt is Océ.

 

Er zijn geen grafische machinebouwers binnen onze grenzen, maar hoe zit het dan met het vermogen of onvermogen van Nederlandse grafische bedrijven om met innovaties om te gaan? Ook deze vraag leidt helaas niet tot nieuwe inzichten. De overschakeling van lood naar offset verliep moeizaam. Zeker. DTP werd in de beginjaren niet serieus genomen. Akkoord. Prepress ontwikkelt zich stormachtig. Soit. 

 

Maar waar blijft het nieuwe inzicht? Waar is het onderscheid in productievernieuwing – een aanpak die Nederlandse grafici als geen ander kennen – en productvernieuwing? Hoe was de situatie in de ons omringende landen? Zijn Nederlandse grafici nu echt van die domoren die al een eeuw met elkaar in de clinch liggen over prijsbederf, of is dat bij onze Europese buren ook zo? Schakelden ze eerder of later over van boekdruk naar offset? Is die hechte organisatie van zowel werkgevers als werknemers een uniek verschijnsel binnen de vaderlandse polders of kent België een soortgelijke sterke organisatie?

 

Honderd jaar geleide innovatie is een boek waarbij de auteur op zijn tenen moest lopen om de technische en sociale veranderingen goed te beschrijven. Des te opmerkelijker is het laatste hoofdstuk waarin teksten soepel uit de pen vloeien en de auteur wel de goede balans weet te vinden tussen technische ontwikkelingen en sociale veranderingen binnen de grafische bedrijfstak. Hier krijgen de ontwikkelingen van de laatste dertig jaren van de vorige eeuw – terecht - het zwaarste accent en loopt digitalisering, na het korte interbellum van het fotografisch tijdperk, als rode draad door de tekst.

  

De Nederlandse grafische industrie in de twintigste eeuw is een studie die tot stand kwam op basis van vooral bronnenonderzoek en desk research. De 181 voetnoten en bijna drie pagina’s literatuurverwijzingen illustreren dat. Maar de grafische bedrijfstak in de vorige eeuw komt in het boek niet tot leven aan de hand van opvallende documenten, heldere statistiek of opmerkelijke citaten van kopstukken uit de branche. Dan vormt de anekdotische opsomming uit het Kerstnummer 2001 interessanter lectuur.  

 

Belangrijker is echter het ontbreken van nieuwe inzichten. Het eindoordeel dat honderd jaar grafische geschiedenis in Nederland niet meer oplevert dan ‘Geleide Innovatie’ is jammer genoeg aan de magere kant. 

 

Leon van Velzen

 

De geschiedenis van de Nederlandse grafische industrie in de twintigste eeuw, door dr. E. Nijhof onder redactie van dr.M. Davids en prof. dr. ir. H. Lintsen, is onder andere verkrijgbaar bij de Grafische Cultuurstichting. ISBN 90-70896-17-6. De uitgave telt 136 pagina’s en kwam tot stand dankzij de medewerking van honderden grafische ondernemingen.

 

 

 …Overcapaciteit en prijsbederf …

 

De basistechniek van het drukken is begin twintigste eeuw nog steeds eenvoudig en de toetredingsbarrières zijn navenant laag. Het gevolg is een versplinterde markt met vele aanbieders, waardoor diepte-investeringen en schaalvergroting niet meer aantrekkelijk zijn en prijsbederf in de hand wordt gewerkt. Hierbij komt nog dat de markt beperkt is tot het taalgebied van de staat Nederland. Het enige exportartikel zijn land- en zeekaarten.

 

Hier staan echter twee zaken tegenover: de binnenlandse markt is door de taal beschermd tegen buitenlandse concurrentie, en het taalgebied, dat ook de koloniën omvat, is nu ook weer niet zo klein (dit telt in 1900 ruim vijf miljoen zielen en in 1914 zes miljoen), waarbij we nog in aanmerking moeten nemen dat het analfabetisme laag is en dat er in Nederland een behoorlijk leestraditie is die nog wordt versterkt door de hiervoor genoemde effecten van de verzuiling. De situatie op de grafische markt zal tot 1914 echter nog steeds gekenmerkt blijven door een problematische versplintering, overcapaciteit en prijsbederf.

 

(Passage uit het besproken boek)

 

Publicatie: Graficus, nummer 2, 10 januari 2002

 

 

Vragen of opmerkingen naar: redactie§magazijn.nl
© 1998 - 2010 |  Uitgeverij Het Nederlands Magazijn bv
Laatst bijgewerkt:
22 juni 2010
Al het gepubliceerde werk op deze website valt onder de spelregels van creative commons.