Xplor 2004

 

  

Omhoog

 

Pulp Fiction - de nieuwe nichespelers

 

Drupa is groot, zelfs een tikkie megalomaan. Drupa is ook kneuterig. Het lijkt of alles op grafisch gebied te zien is. Onzin natuurlijk. De ongelukkige keuze voor een motto als de Olympische Spelen van de bedrijfstak wijst daar ook op. Records? Bezoekcijfers? Superverkopen? Voor de leveranciers van groot belang, maar wat moet ik er als argeloos bezoeker mee?

 

Na afloop van drupa bleken de standhouders meer dan tevreden over het rendement dat ze op hun peperdure beursinvestering behaalden, maar wie hoorde ooit anders? Hoe modern drupa zich ook etaleert, wanneer het aan de leveranciers ligt gaat het op de markt nog altijd om de verkopen. Zelfs bij kapitaalgoederen zoals drukpersen, printers en afwerkapparatuur. Heidelberg rapporteerde verkoopcijfers die opliepen tot achthonderd miljoen euro. Agfa heeft twee pagina’s nodig om alle verkochte machines en softwarepakketten te melden. Debutant Esko Graphics meldde dat vijftien procent van de begrote jaarverkopen al op drupa is gerealiseerd. En ook de andere standhouders lieten keer op keer ‘beter dan verwacht’ noteren. Geen 420.000 professionals in Düsseldorf deze keer, maar slechts 380.000. Fijn, prima, gefeliciteerd en nu weer aan het werk.

 

In een bedrijfstak gaat het niet over topsport, ééns in de vier jaar, maar over breedtesport. Drupa is een momentopname. Soms met werkelijke doorbraken, soms met records, maar even zo vaak met schijnbare trends, of belangrijke zaken die juist niet aan bod komen.

 

Nog sterker dan Nederland worstelt Duitsland met zijn economische toekomst. De werkloosheid ligt hoog. Politiek, werkgevers en vakbonden houden elkaar in een verlammende greep. Tegen die achtergrond was er veel - en waarom ook niet? - wishful thinking aan de vooravond van drupa. De ‘Olympische Spelen van de grafische industrie’ zouden op voorhand niet de boeken ingaan met nieuwe records, maar wie snakte er na ruim drie jaar malaise niet naar een hart onder de riem? Naar goede resultaten, naar optimisme en blauwe cijfers? Eerst het beest dat tekeer is gegaan in de afgelopen vier jaar. Wie het recent verschenen KVGO-Jaarverslag er op na slaat ziet de kille cijfers. Het aantal grafische bedrijven in Nederland daalde van 3.055 in 1999 naar 2.445 in 2003. Een afname met meer dan 600 ondernemingen! In 1999 stopten 29 ondernemingen. Dat aantal steeg vorig jaar naar 84. De hoeveelheid faillissementen bedroeg vijf jaar geleden 30. In 2003 verdubbelde dat aantal ruim tot 72. Het aantal werkzame personen in 1999 bedroeg 49.274. Vorig jaar was dat gedaald tot 43.838.

 

Kommer en kwel dus? Nee! Tot en met het jaar 2000 investeerden Nederlandse grafische bedrijven tegen de klippen op. Het resultaat: een schokkende overcapaciteit en tegelijkertijd het modernste machinepark van heel Europa! Gevolg: een niet aflatend gevecht met als inzet het prijswapen en torenhoge financiële lasten. Je kunt concluderen dat de grafische bedrijfstak klaar is voor de toekomst. De kunst is dan nog wel om die toekomst ook te halen. Dat kan gepaard gaan met veel kunst- en vliegwerk. Nog een aantal bedrijven, dat staat vast, zal de komende tijd de poorten sluiten. De vraag is of ondernemers niet alleen de conjuncturele veranderingen het hoofd kunnen bieden, maar ook op de veranderingen in bijvoorbeeld de relatie met de klant de juiste antwoorden te vinden. Daarbij past een genuanceerd beeld. Een deel is zeker klaar, anderen krijgen het nog moeilijker.

 

Het is vervelend dat een werkstroom niet te pakken is: het is niet concreet. Waar we vroeger de analoge orderzak door de drukkerij zagen gaan, moet dat nu digitaal. Onzichtbaar, onvermijdelijk en lastig. Is software nu eenmaal onzichtbaar, of ging drupa 2004 toch vooral over staal, machines en snelheden? Maar het zou toch de JDF-drupa worden, zo beloofden alle persenbouwers de bezoekers ver voordat op 6 mei de poorten van de Messegelände openden? Het Job Definition Format als vlucht naar voren bij gebrek aan werkelijk nieuws? Hoe onbeholpen ook workflow te tonen is op een beurs; de aandacht voor workflow is terecht. Tegelijkertijd lijkt het daardoor alsof er vóór drupa 2004 geen sprake was van werkstroom in een grafisch bedrijf of documentenintensieve organisatie. Onzin natuurlijk, hoewel de ene ondernemer zijn werkstroom al zoveel mogelijk digitaliseerde en de ander genoegen neemt met houtje-touwtje oplossingen. Klassieke grafische bedrijven investeerden vooral in de laatste jaren van de vorige eeuw kapitalen in sneller lopende geautomatiseerde persen. De prepress werd onder handen genomen, computer-to-plate was op drupa gemeengoed.

 

Hoe vreemd het ook mag klinken, bij de drang naar sneller en goedkoper bleef het focussen op de interne werkstroom te vaak een ondergeschoven kindje. Het aantal orders dat overgemaakt moet worden bij drukkerijen is nog altijd zeer aanzienlijk. Opvallend is dat er voldoende onderzoeken bestaan over het slordig aanleveren van digitaal materiaal door klanten (‘de fonts ontbreken, lage resolutie beeld etc. etc) maar er geen cijfers bekend zijn van het aantal ‘overmakers’ in de bedrijfstak. Naar schatting kan die schade gemakkelijk oplopen tot enige tientallen percentages van de omzet. De flinterdunne marges van veel ondernemingen zouden iets minder fragiel worden bij een kritische kijk naar binnen. Volgens Heidelberg topman Klaus Spiegel in het vakblad Compres zou er op dit front nog 25 procent productiviteitswinst te boeken zijn.

 

Digitaal contact met de klant en de mogelijk disciplinerende werking van de werkstroom vormen twee op drupa onderbelichte elementen. Anders ligt dat bij een trend die sinds de eeuwwisseling aan kracht wint. Tot die tijd was het gebruikelijk printactiviteiten naast de offsetactiviteiten te plaatsen. Vaak in een andere bv, soms zelfs in een ander gebouw. De redenen daarvoor waren plausibel. De orderomvang lag bij het printen lager en de doorvoersnelheid van de orders hoger. De eisen die aan de medewerkers gesteld werden, lagen anders. Een groter aantal orders moest in recordtempo door het bedrijf worden geloosd.

 

Toch gaan steeds meer drukkerijen printen en - opmerkelijk genoeg - ook steeds meer printers drukken. Deze ondernemers willen niet werken met twee gescheiden productiesystemen. Zij willen een eenduidige manier van produceren, waarbij orderintake, het monitoren van de order door de organisatie tot en met het afleveren bij de klant, het liefst zo geautomatiseerd mogelijk, gevolgd kan worden. Dat betekent ook dat de Rip’s van de printers, de DI-drukpers, filmbelichter of CTP-unit op een identieke manier moet kunnen worden aangestuurd. Makkelijk gezegd, moeilijk gedaan. Want ook de productie van jobs met snel wisselende, variabele informatie moet in zo’n workflow passen. Een onderschat voordeel is dat voor sommige jobs pas op het laatste moment beslist moet worden of er geprint dan wel gedrukt zal worden.

 

De grotere printerleveranciers anticipeerden op deze ontwikkeling en zorgden ervoor dat hun workflow geschikt kan zijn voor zowel drukker als  printer. Xerox bijvoorbeeld koos met zijn modulaire opgebouwde FreeFlow-concept voor een printmanager waarbij de vraag ‘drukken’ of ‘printen’ niet langer relevant is. Xerox lijkt daarmee tijdens drupa een voorsprong op de concurrenten te hebben genomen. In een recent verleden dacht Xerox nog offsetpersen in het productenportfolio nodig te hebben om de werkvloer van de drukkerij te kunnen betreden. Met goede workflowsoftware gaat dat minstens even goed, zo niet beter. Océ bouwt gestaag verder aan zijn Prisma-oplossingen, terwijl Xeikon het vooral zoekt in supersnelle rips voor zijn variabele data. Opmerkelijke genoeg lijkt, wanneer we op de persberichten afgaan, het thema workflow bij HP Indigo wat minder te leven. Hier moet de samenwerking met HP kennelijk nog tot verdere wasdom komen.

 

Tegen deze achtergrond is het spijtig dat Heidelberg opvallend met zijn rug naar de digitale toekomst ging staan. Vijftig innovaties is niet niks, maar wat als de leverancier van een paardenkar honderd vernieuwingen weet te bedenken. Het is knap en het is mooi, maar ik zit al lang in een auto. Aan de vooravond van drupa verkocht eigenaar RWE ruim vijftig procent van de aandelen Heidelberg aan institutionele investeerders. Een paar maanden eerder koos Heidelberg ervoor zich te beperken tot de kernactiviteiten. Die keus komt neer op het bouwen van machines voor de vellenoffsetdruk. De kleuren NexPress en monochrome Digimaster zijn weer terug bij ontwikkelaar Kodak. Ook de rotatiepersen gingen de deur uit. De noodgedwongen focus op de vellenoffsetpers kan gevolgen hebben voor de workflowsoftware. Naast een hybride print- en drukomgeving draaien bedrijven ook kleur en monochrome prints steeds vaker door elkaar heen. Ook dat probleem kan voor een groot gedeelte met software worden opgelost. Nu Heidelberg – voorlopig – het directe contact met de printerwereld kwijt is, zal het bedrijf zich moeten inspannen om beide markten met zijn workflowoplossingen te blijven bedienen.

 

Deze pas op de plaats betekent niet dat Heidelberg voorgoed afscheid neemt van de digitale printtoekomst. Het bedrijf wacht de snelle ontwikkelingen op het gebied van vooral inkjetprinten af om op een goed moment en naar goed Heidelberg-gebruik veelbelovende ondernemingen met hun technologie op te kopen. Wat er op drupa te zien was aan high speed en high quality printen met inkjet was niet nieuw, maar laat zien dat deze techniek – in tegenstelling tot offset dat al een eeuwlang in ons midden is – nog volop mogelijkheden in zich heeft om verder te groeien.

 

Ook de natte en droge tonermachinebouwers zitten niet stil. Xerox, Océ, Xeikon – terug van weggeweest – Canon en HP Indigo blijven investeren in onderzoek en ontwikkeling. Langzamerhand is er een breed gamma aan machines ontstaan, monochroom en in kleur, sneller en langzamer, van lage kwaliteit tot 1.200 dpi, losblad of rotatie, waarmee de hele markt bediend kan worden. En anders dan bij offset komen deze spelers – en ook minder in het oog lopende leveranciers, zoals Ricoh, Nashuatec of Minolta – met technieken die niet aan het einde van hun technische life cycle zijn.

 

Rotatieprinters, ofwel continuous feed printers, breiden hun takenpakket verder uit. Océ is vanouds een sterke speler op het monochrome speelveld, waar Xerox zich ook opnieuw melde. Ook Nipson doet weer mee en Delphax. In kleur zijn de Versamark-machines toonaangevend met hun snelheid, waar anderen zich melden met de mogelijkheid tot het printen op uiteenlopende substraten. De formaten worden groter en groter. De zeefdruk is echt in het defensief gedrongen door de meer dan veertig nieuwe grootformaat inkjetplotters die op drupa te zien waren. Drupa was vooral een inkjet-drupa.

 

En de analoge drukpersen dan? Natuurlijk verbeteren offsetpersen nog steeds, maar grote stappen vooruit zijn niet te constateren. Het blijft bij elegante technische verbeteringen en een vlucht in industrieel design. Een van de uitzonderingen overigens vormt Drent Goebel. Deze combineerde bestaande grafische technieken tot de nieuwe VSOP-techniek.

 

Past de machine wel of niet in een netwerk? In feite is dat ook de basis voor Cip4-achtige initatieven of JDF. Het gaat niet om het job ticket zelf. Een job ticket is een voorwaarde om een machine, liefts voorzien van een IP-adres, in een netwerk te kunnen laten functioneren. Printers passen van nature in een digitaal netwerk en hebben daarmee per definitie al een grotere potentie dan de analoge drukpersen.

 

Sommige persenbouwers, zoals KBA met zijn ingenieuze Genius 52 en wellicht Screen, maar dat is toch een vreemde eend in de bijt, hebben het DI-concept opgepakt en proberen met een analoge pers aansluiting te vinden bij het netwerk. Zonder netwerk - dat werd niet op drupa, maar overal daarbuiten duidelijk - geen business. Het zijn betere pogingen dan de knullige meccano-oplossingen uit het verleden waarmee CTP-installaties als belichtingsbalken tussen de drukrollen werden gehangen. Onhandig en veel te duur. Je zet een pers niet stil om drukplaten te belichten. Met de nieuwe generatie platen en de keus voor kleinere formaten, zouden deze DI-persen een brug kunnen slaan tussen de klassieke offsetdrukker en de digitale buitenwereld.

 

Uitzonderingen zoals krantenpersen daargelaten is de stelling te verdedigen dat wanneer een grafische machine niet in een netwerk hangt, deze niet klaar is voor toekomstige ontwikkelingen. Je kunt met zo’n machine wellicht nu nog een boterham verdienen, maar morgen zeker niet meer. Het steekwoord van de grafische bedrijfstak is niet workflow, maar netwerk. Wanneer je als machinebouwer je machines daar niet voor geschikt maakt, veroordeel je jezelf tot een niche. Wellicht een niche die tot in lengte der jaren blijft bestaan, maar toch een niche.

 

Na de komst van Cip3, midden jaren negentig heeft de grafische bedrijfstak bij het aan elkaar knopen van prepress, drukken en afwerken ontegenzeggelijk grote stappen vooruit gezet. Een administratieve schaal om de productiedata, waar ook managementinformatie uit gedestilleerd kan worden zoals JDF beoogt, is een prima idee. Maar anders dan bij documentintensieve organisaties is veel grafische productie er een van hollen en stilstaan. De aard van de werkzaamheden, of het nu prepress, drukken of afwerken is, verschilt zo van elkaar dat de stappen nooit vloeiend op elkaar zijn aan te sluiten. Eén van de voordelen van JDF is dat de stappen helder en duidelijk van elkaar onderscheiden worden. Een vloeiende werkstroom bestaat uit eilanden waar optimaal gewerkt wordt en de brug naar het volgende eiland voldoende breed is om snel (en belangrijker nog) foutloos een grafisch product te maken. Printers hebben het relatief gemakkelijker dan drukkers omdat deze per definitie al over een digitale aansturing van de printer beschikken. Maar ook hier dringen zich vragen op over in-line dan wel off-line afwerking. Ook bij het grafisch afwerken zagen we machinebouwers die zich beperken tot de werktuigbouwkunde en anderen die het netwerk al wel ontdekt hebben en weten dat aansluiting op een netwerk verder gaat dan een RS 232 poort op de machine.

 

De JDF-vlucht naar voren verduisterde de vragen die er op dit moment werkelijk toe doen. Hoe krijg ik – digitaal, via het web – een steviger band met mijn opdrachtgever? Hoe verbeter ik mijn organisatie? Kan ik mijn productieapparatuur in een digitaal netwerk hangen? Niet om meer te doen, maar om de dingen beter te doen. Dat zijn geen technologische stappen vooruit, laat staan dat je er Olympische records mee breekt. Het zijn wel de vragen die het hedendaagse, grafische bedrijf onder bijzonder lastige marktomstandigheden, adequaat zal moeten beantwoorden. De ‘klant’, de ‘opdrachtgever’ of de ‘partner’ kwam tijdens drupa minder uit de verf, om maar eens een understatement te gebruiken. Het bedrijfsloket bij uitstek - het web - bleef buiten beeld. Dat kan betekenen dat alle techniek rond Internet bij grafici gemeengoed is, of het duidt erop dat de focus van de ondernemer niet naar buiten is gericht, maar naar binnen op de eigen organisatie.

 

Het is onvoorstelbaar dat alle aandacht voor het web op een laag pitje staat. In 1996 was ik op Seybold in Boston en toen dacht iedereen nog dat drukkers alleen maar websites gingen bouwen. De economie danste naar een hemelsblauwe hemel en Internetbedrijven vlogen hoog, om in 2000 verschrikkelijk hard te dalen en neer te storten. Sinds die tijd er is veel gebeurd. Er ligt in Nederland een netwerk in de grond met een onwaarschijnlijke bandbreedte. Dan heb ik het nog niet eens over het glasvezelnetwerk waar zo veel informatie doorheen kan dat toepassingen op dit moment niet denkbaar zijn. Met Adsl komen we ook al een eind. Veel verbindingen zijn al draadloos. Gemakkelijk, maar veel belangrijker: alle apparaten kunnen met elkaar communiceren. Natuurlijk is er het probleem van de beveiliging en altijd zal er wel ergens een deur openstaan en een junk naar binnen sluipen, maar het gaat om de potentie van de breedbandige verbindingen.

 

Breedband is de basis voor een intensief, dagelijks contact met de klant. Deze staat on-line altijd in direct verband met zijn grafische bedrijf, of dat nu een printer of een drukker is. Dat gaat veel verder dan het veilen van drukwerk via het web. Natuurlijk wordt er druk- en printwerk via het web verkocht, net zoals auto’s schilderijen en zelfs de rechten voor de zeilwedstrijd America’s Cup. Het mooiste en beste portaal dat een drukker of printer zich kan denken om een hechte band met de klant op te bouwen is via het web of web-achtige technieken. Maak dan ook van de mogelijkheden gebruik. Als er eigen IT-ers ingezet moeten worden omdat er geen standaardgereedschap wordt aangeboden, dan moet dat maar.

 

En waar waren de e-books? Waar was het e-paper? Niet gezien. Belangrijk? Zeker nog niet, maar wat niet is kan snel komen. Zie de iPod, de GPS met de routenavigatiesystemen in de auto, de digitale fotografie of de mobiele telefonie. Elektronicafabrikanten zetten stapjes vooruit bij hun speurtocht naar digitaal papier, terwijl de grafische industrie sceptisch afwacht en dooddoeners produceert. ‘Wie leest er nu van een beeldscherm’ is bijna net zo dodelijk als ‘mijn tijd zal het wel duren’. In Finland loopt aan de Universiteit van Helsinki overigens al sinds 2002 redelijk grootschalig onderzoek naar de beleving van e-paper. De uitkomsten zijn positief te noemen.

 

Philips en Sony ontwikkelden de Librié op basis van actieve matrix display techniek. Een reader die de beloften van het digitale boek voorzichtig begint in te lossen. De patenten zijn afkomstig van E-Ink, Philips en Sony. Eind april kwam de reader die het volume van zo’n vijfhonderd boeken kan opslaan op de Japanse markt. Laten we eens wat breder kijken dan de techniek. Als grafici die documenten printen en afdrukken hebben we inkt of toner nodig, een machine en papier. Veel papier. Steeds meer papier. Elke Nederlander gebruikt jaarlijks gemiddeld tweehonderd kilo papier. Dat is meer dan een halve kilo per dag. Bijna een kwart van alle afval bestaat uit papier en karton.

 

Wat cijfers. Gemiddeld wordt door de wereldbevolking 52 kilo per jaar gebruikt. De inwoners van de Verenigde Staten zijn koploper met een papiergebruik per hoofd van de bevolking van een dikke 330 kilo per jaar. West-Europa is goed voor tweederde daarvan: een kleine 200 kilo. China zit met dertig kilo net over de helft van het mondiale papiergebruik.

 

De Verenigde Staten is de grootste consument van alle papier ter wereld. Liefst 31 procent van de totale productie gebruiken de Amerikanen om te schrijven, te printen, te drukken en – zoals de Engelsen zeggen – hun handen mee af te wassen. Goede tweede is West-Europa (ruim 24 procent) gevolgd door China. Ondanks het lage gebruik per hoofd van de bevolking consumeren de Chinezen nu al bijna twaalf procent van de wereldwijde papierproductie. De bijna dertig kilo per jaar die elke Chinees in 2000 gebruikte zal naar verwachting in 2015 bijna verdubbeld zijn tot 51 kilo. Op Oost-Europa na is China daarmee de snelst groeiende papierconsument ter wereld. Wanneer ze op Europees niveau zitten, dus op bijna het zevenvoudige van nu, is niet te voorspellen. En dan hebben we het nog niet gehad over India.

 

Het is maar goed dat de Nederlandse gewoonte om met oud en nieuw een kaartje te sturen niet in China of India bekend is. Dat moet vooral zo blijven. Nu al kost het de leveranciers van pulp de grootste moeite om aan de vraag naar pulp te voldoen. Schaarste betekent uiteraard niet het einde van de productie. Wel is duidelijk dat een explosief stijgende vraag op lange termijn zal zorgen voor een fikse prijsverhoging van de pulp- en dus de papierprijs. Ziedaar de belangrijkste motor achter de ontwikkeling van e-paper. Niet de reader, de software of de vraag of we al dan niet van een beeldscherm willen lezen vormt de belangrijkste drive, maar een omhoog knallende prijs van de grondstof die voor de grafische bedrijfstak essentieel is: pulp en papier.

 

Tijden veranderen. De manier waarop we produceren verandert. Drukken doen we al zes eeuwen en grafisch printen pas veertien jaar. Er wordt onvoorstelbaar meer drukwerk geproduceerd dan grafisch printwerk. Toch zit – voor Nederlandse bedrijven – op lange termijn meer muziek in het printen. Een relatief nieuwe techniek, waarvan we de potentie nog niet goed op het netvlies hebben. Een techniek die zoals op drupa te zien was op alle fronten  – snelheid, formaten, substraten, kwaliteit, prijs – snel groeit. Techniek die past binnen een wereld die met behulp van digitale netwerken steeds hechter aan elkaar wordt geknoopt. Dat is de werkelijkheid van vandaag. Geen fictie van morgen. Laat staan pulp fictie.

 

Leon van Velzen

 

Dit is een bewerkte en ingekorte versie van de presentatie die Leon van Velzen op 8 juni 2004 gaf tijdens Xplor 2004 te Ermelo.

 

Vragen of opmerkingen naar: redactie§magazijn.nl
© 1998 - 2010 |  Uitgeverij Het Nederlands Magazijn bv
Laatst bijgewerkt:
22 juni 2010
Al het gepubliceerde werk op deze website valt onder de spelregels van creative commons.