|
|
Quo vadis, TomTom? Waar ben ik? En welke kant moet ik op om ergens te komen? Een belachelijk vraag voor iedereen die de zuigzoen van de TomTom op de voorruit van zijn auto weet. Toch worstelde de mensheid met deze vraag tot ver in de achttiende eeuw. En nog. De Chinezen zouden het kompas hebben uitgevonden dat door de Arabieren in de twaalfde eeuw naar Europa werd gebracht. Gisse jongens. Zij wisten ook dat de poolster recht boven de noordpool staat en konden daardoor met een hoekmeting de breedtegraad bepalen. Een methode die nog steeds in zwang is als de sextant uit zijn houten doosje wordt gehaald. Ook Portugese zeevaarders beheersten in de vijftiende eeuw de kunst van de hoekmeting. Was er geen poolster, zoals op het zuidelijk halfrond, dan had je de zon tot je beschikking. Lastiger is het om de ooster- en westerlengte te bepalen, simpel omdat de aarde ronddraait. Op een schip is het bepalen van je lengtepositie onmogelijk zonder een nauwkeurige klok plus enig idee van de snelheid en richting die je vaart. In 1728 bouwde de Britse klokkenmaker John Harrison een klok die ook op zee voldoende nauwkeurig liep. Het Britse schip HMS Resolution zwierf in 1775 over de oceanen om met behulp van precisieklokken niet alleen de juiste breedte, maar ook de lengte van posities vast te stellen. Nog steeds zijn het hemellichamen - kunstmatige weliswaar - en klokken die het mogelijk maken om een positie waar ook ter wereld te weten te komen. Satellieten vormen die nepsterren, met aan boord atoomklokken, een stevige antenne en een vracht aan calibratie-apparatuur om tijden en afstanden te synchroniseren. Wie anders dan het Amerikaanse leger kon in 1974aan de wieg staan van een wereldomvattend plaatsbepalingsysteem? Nog geen tien jaar later introduceerden de Amerikanen dit succesvolle - en gratis - Global Positioning System voor burgergebruik. GPS werkt met slechts twee frequenties. Eén daarvan was bestemd voor militair gebruik en veel nauwkeuriger dan de burgerfrequentie. Een deel van de militaire frequentie is nu ook beschikbaar voor civiel gebruik, maar wel voorzien van ‘Standard Positioning Service with Selective Availability’. Huh? De zenders kunnen aan bijvoorbeeld zeilers hierdoor niet hun werkelijke positie doorgeven, maar een locatie die daar een fractie van afwijkt. Een minimale vertraging of versnelling van het signaal volstaat. Met technieken als Differential GPS is die onnauwkeurigheid voor een groot deel weer op te heffen. Dat dan weer wel. Van vaste objecten, vuurtorens bijvoorbeeld, is de positie immers precies bekend. Door deze op hun beurt DGPS-correctiesignalen te laten sturen is alsnog een hoge nauwkeurigheid van de positiebepaling mogelijk. Nou ja, nauwkeurig? GPS blijft van oorsprong een militair systeem. Dat heeft als voordeel dat het ontworpen is met een hoge betrouwbaarheid in het achterhoofd. Nadeel is dat het net zo eenvoudig is die nauwkeurigheid te verminderen. Geeft niets, als de gebruikers dat maar weten. Zeilend in Griekse wateren bleek vlak na elf september 2001 dat het Griekse haventje Fiskardo op Keffalonia plotseling zo’n tweehonderd meter naar het westen was verplaatst op de GPS. Een leesfout, ruis in de communicatie, of was het systeem naar een grotere onbetrouwbaarheid geschakeld om het mogelijke terroristen lastiger te maken? Omdat dit ook grote ongelukken kan opleveren – je rijdt bij zoveel ruis toch meestal door het weiland - zouden de Amerikanen de selectieve beschikbaarheid het afgelopen jaar helemaal opgeheven hebben. Daarbij zijn ze van plan hun hele GPS-systeem met meer navigatiefrequenties ingrijpend te vernieuwen. De Amerikanen waren niet alleen in de ruimte. De Sovjet-Unie bouwde vanaf 1983 aan Glonass. Een systeem dat nogal lijkt op GPS, maar na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie slechts met horten en stoten is volbracht. Pas in 1995 hing de laatste van de benodigde 24 satellieten op zijn plaats. Geen TomTom voor de Lada, want de betrouwbaarheid van het systeem daalde spectaculair totdat er in 2002 nog slechts acht satellieten signaal gaven. Met een aantrekkende economie in de rug en verder gezichtsverlies aan de horizon zijn de Russen drukdoende om Glonass weer op te kalefateren. De Chinezen doen het met minder kunstmanen. Dankzij een andere keuze voor de te volgen banen volstaan bij het Beidou-navigatiesysteem - Grote Beer - twee paar satellieten. Het eerste koppel ging in oktober 2000 de lucht in, het tweede paar vertrok in 2003. Het avondland kon niet achter blijven en Europa koos na veel politiek getouwtrek in mei 2003 voor Galileo. Europese staten willen niet afhankelijk zijn van een Amerikaans, Russisch of Chinees systeem. Juist de militaire herkomst en de selectieve onbetrouwbaarheid van GPS inspireerden de Europese ministers tot een eigen netwerk van dertig satellieten dat rond 2008 - vrijwel - iedereen op aarde moet vertellen waar hij of zij zich bevindt. Zeer accurate navigatie-informatie komt tot stand dankzij de European Geostationary Navigation Overlay Service, kortweg Egnos. Egnos is de eerste stap op weg naar commerciële diensten en toepassingen die gebruik maken van Galileo. Uiteraard is het nu nog de beurt aan de Amerikaanse GPS-signalen, maar Egnos verbetert de nauwkeurigheid van die signalen al tot een à twee meter. Belangrijker is echter dat Egnos een ‘integriteitsignaal’ toevoegt. Het systeem laat weten hoe betrouwbaar de informatie is. Daarmee legt Egnos de achilleshiel bloot van het Amerikaanse GPS en toont in een ademstoot de ‘killer applicatie’ van Galileo. Wat heb ik immers aan een exacte positiebepaling, zelfs in decimeters nauwkeurig, wanneer ik niet weet hoe betrouwbaar de signalen zijn waarmee die positie tot stand komt? De vraag of een ‘integriteitsboodschap’ van een plaatsbepalingsysteem ruim drie miljard euro mag kosten, hebben de Europese ministers na de nodige aarzelingen dan ook met ja beantwoordt. Een gebruiker van Galileo zal kunnen zien wanneer er fouten in de signalen optreden. Deze belangrijke eigenschap ontbeert ook het vernieuwde GPS III-systeem dat bij de Amerikanen op de tekentafel ligt. De principes van GPS en Galileo ontlopen elkaar nauwelijks. Kort door de bocht: een stelsel van satellieten draait rondjes in een geostationaire baan en zendt daarbij treintjes radiosignalen uit. Dankzij het gebruik van ‘atoomklokken’ in de satellieten kan de ontvanger het exacte verschil in looptijd van de signalen in microseconden bepalen. Omdat de plaats van de zenders bekend is, kan met metingen op drie of vier signalen nauwkeurig de locatie en de hoogte van de ontvanger worden berekend. Een ontvanger doet niets meer of minder dan exact peilen waar hij zich bevindt. In feite houdt daarmee de bemoeienis van zowel GPS als Galileo op. Slimme toepassingen worden overgelaten aan ‘de markt’. En de markt greep zijn kansen. Volgens het Directoraat-generaal Energie en Vervoer van de Europese Commissie gaat het bij Galileo om tientallen miljarden euro’s omzet per jaar tot 2010 en circa honderdduizend nieuwe banen. Zonde om dat aan de Amerikanen over te laten. Zeilers ontdekten het gemak van GPS al snel, zij het zonder kekke kaartjes in kleur. Maar wanneer je gegist bestek op de kaart redelijk overeenkomt met de aanwijzing op je GPS weet je dat je redelijk safe zit. Watersport is een niche. Voor het echte geld moest de GPS naar de massa en deed dat ook. In 2001 veranderden Peter-Frans Pauwels en Pieter Geelen samen met Corinne Vigreux en Harold Goddijn hun Psion palmtop bedrijf in TomTom. De Navigator 2 voor de auto was een succes, maar de echte doorbraak kwam in 2004 met TomTomGo. De initiatiefnemers cashten zwaar in 2005 bij de beursgang van hun onderneming. Zij waren wellicht de slimsten, maar zeker niet de eersten. Garmin, opgericht in 1989 door een groepje ingenieurs, lanceerde al in 1991 een draagbare GPS in de Verenigde Staten. Pioneer claimt als eerste bedrijf ter wereld in 1990 al een GPS-systeem voor de auto te bouwen. Satellieten, klokken, ontvangers, alleen ervaren zeelui kunnen wat met een positie die bestaat uit graden en minuten. Wij willen precies op de kaart zien waar we zijn. Dat monnikenwerk is achter de rug, dankzij bedrijven zoals Tele Atlas dat in 1984 in Nederland - tegenwoordig actief vanuit Gent in België - werd opgericht, kaarten digitaliseerde en via databases toegankelijk maakte voor grote groepen gebruikers. Krap twee jaar geleden verbijsterde Google Earth en Google Maps de wereld met een zee aan gedetailleerde digitale kaarten. Wie al deze informatie zinnig aan elkaar weet te knopen, boort een nieuwe goudmijn aan. Zeelui hoeven geen vissen meer te vangen en naar vogels te kijken om op gegist bestek te raden op welke oceaan ze ongeveer zijn. Da’s mooi. Maar dat mensen zonder GPS in het bos onmiddellijk verdwalen, of zelfs het centrum van Amsterdam niet meer kunnen vinden zonder de aanwijzingen van die irritante digitale Belgische mevrouw op het dashbord, laat weer eens zien dan niet alle veranderingen ook verbeteringen zijn. Leon van Velzen [C Sharp, juni 2007] [Tijdslijn]
|
Vragen of opmerkingen naar: redactie§magazijn.nl
© 1998 - 2010 | Uitgeverij Het Nederlands Magazijn bv
|